- heart
- n. hartheart[ ha:t]1 hart(spier)2 boezem ⇒ borst3 geest ⇒ gedachten, herinnering4 hart ⇒ binnenste, gemoed5 kern ⇒ hart, essentie6 hart ⇒ hartvormig voorwerp; 〈kaartspel〉 harten(kaart)7 moed ⇒ durf♦voorbeelden:3 a change of heart • verandering van gedachten(learn) by heart • uit het hoofd (leren)4 from/to the bottom of my heart • uit de grond van mijn hartto his heart's content • naar hartenlustwin the hearts and the minds of the people • de sympathie van het volk veroverenhis heart is in the right place • hij heeft het hart op de juiste plaatswear one's heart on one's sleeve • zijn hart op de tong dragenheart and soul • met hart en zielshe had his health at heart • zijn gezondheid ging haar ter hartethey have their own interests at heart • zij hebben hun eigen belangen voor ogenhe put his heart (and soul) into his work • hij legde zich met hart en ziel op zijn werk toeset one's heart on something • zijn zinnen op iets zetten, iets dolgraag willenshe took it to heart • zij trok het zich aan, zij nam het ter harteat heart • in zijn hart, eigenlijkin one's heart of hearts • in het diepst van zijn hartwith all one's heart • van ganser harte7 he had his heart in his boots • hij had de moed verlorennot have the heart • de moed niet hebbenlose heart • de moed verliezentake heart • moed vatten, zich vermannen¶ 〈spreekwoord〉 the way to a man's heart is through his stomach • de liefde van een man gaat door de maagmy heart bleeds • ik ben diepbedroefd; 〈ironisch〉oh jee, wat heb ik een medelijdenbless your heart • je bent een schatcross one's heart (and hope to die) • plechtig belovencry/weep one's heart out • tranen met tuiten huileneat one's heart out • wegkwijnen (van verdriet/verlangen)not find it in one's heart • het niet over zijn hart kunnen verkrijgen〈informeel〉 have a heart • wees eens aardig
English-Dutch dictionary. 2013.